Een nieuw verhaal
Hallo iedereen!
Zoals jullie wel weten vind ik het gewoon leuk om verhalen te schrijven. Jullie noemen dit meestal zweverige verhalen, en dat heeft me aan het denken gezet.
Wat bedoelen jullie met "zweverig"? Dit had de uitkomst dat ik maar een nieuw verhaal ging maken die letterlijk zweverig is.
Ja ik zie jullie nu al kijken met een blik van: "o nee, niet weer!" Maar ja, misschien moet je het maar zelf even lezen...
Ja, het volledige verhaal.
Als je je afvraagt hoe een wolk er van binnen uitziet en of de zon echt achter elke wolk schijnt, ben ik het meisje om je beide vragen te beantwoorden.
Een leven in de lucht is iets waar veel mensen van dromen, maar niemand ziet wat er nodig is om dat te verwezenlijken. Niemand, behalve ik natuurlijk. Mensen zouden dan vleugels moeten hebben, en ja, die heb ik. Sommigen noemen me een gedrocht, anderen een engel. Ik ben geen van beiden. Ik ben een normaal mens, net als iedereen, maar dan met vleugels. ‘Zij die vleugels heeft, zij is Julia,’ is een gezegde van mijn moeder. En dat klopt, ik ben Julia. Heb een slank lichaam, vriendelijk gezicht, groene ogen, lang zwart haar en twee prachtige vleugels. Donkerblauw van kleur behaard (nee, geen veren) en haal in de lucht makkelijk een topsnelheid van 300 km per uur. Met het grootste gemak steek ik de grootste oceanen, zeeën en duizenden kilometers land over. Maar, meestal blijf ik in mijn eigen omgeving. Ik woon in een klein huisje die voor mij op de grootste flat gebouwd is. Mijn ouders wonen in de flat. En er is maar één manier om bij mijn huis te komen: door te vliegen.
Het is een donkere ochtend, donkergrijze wolken hangen boven me, een lange uitgestrekte vlakte van grasland ligt voor me. ‘Julia?’ de stem van mijn zusje klinkt weer in mijn oren. ‘Sarah?’ zeg ik, ‘je bent tien jaar geleden verdwenen, maar ik zal je vinden.’
Een flits voor mijn ogen en ik zag het beeld dat me al tien jaar bezighield, het beeld van hoe Sarah met mij meerende terwijl ik door de lucht zweefde, we deden een wedstrijd die zij altijd verloor. Maar aan het einde lachte ze wel het hardst van ons beiden.
‘Julia... ik heb je nodig.’
Opnieuw haar stem, begin ik mijn verstand te verliezen? Nee. Iedereen zegt dat Sarah dood is, maar ik geloof het niet. Dit is mijn enige kans om dat te bewijzen, dat weet ik.
Ik sta op een toren van klei, klaar om de lucht in te springen en op de stem van mijn zus af te gaan. Ik wacht nog een seconde, laat een traan en spring. Niet naar beneden, maar omhoog. Hoger en hoger totdat mijn hoofd het wolkendek raakt, maar zelfs dan stop ik niet. Ik ga er doorheen, schud mijn haar en stijg boven de wolken uit. Onder mij is een groot wit landschap, boven mij is niets dan een blauwe lucht en de zon. De zon die de mensen op de grond vandaag niet meer zouden zien. Een zon, voor mij alleen.
‘En Sarah,’ zeg ik zacht, ‘voor jou zal dit de eerste zon in een eeuwigheid zijn.’
Zo boven de wolken is de lucht dun en er staat bijna geen wind, maar toch wapperde mijn zwarte haar om me heen. Maar ja, ik ben ook maar één klein meisje in een grote oneindigheid van lucht. Ik vloog niet langer omhoog, maar recht vooruit. De wereld onder mij kon mij niet zien, en alles wat ik onder me zag waren wolken. Een vliegtuig zal hoger vliegen en een vogel zal lager vliegen. Dit luchtrijk was van mij en mij alleen.
Ik heb een zonnebril op en een verrekijker hangt aan een koord om mijn nek. Ik draag een spijkerbroek en een t-shirt. In de verte zie ik een hoge berg waarvan het topje net boven de wolken uitkomt, achter de berg is de lucht geheel vrij van wolken. Het is de berg waar ik mijn zus toen verloren was, zij was met mij mee gerend tot aan de top van de berg. Toen ik een kilometer hoger was, keerde ik weer terug. Van Sarah was geen spoor meer te bekennen. ‘Die is vast alvast naar beneden gegaan,’ zei ik nog tegen mezelf, maar toen ik daar aankwam was Sarah nergens te bekennen. Ook thuis was ze niet en nadat de politie wekenlang had gezocht was ik zo diep bedroefd dat ik dagenlang huilend op mijn bed lag. Het was mijn schuld, dacht ik toen. Maar nu weet ik dat dat niet zo was. Ook al weet ik nog steeds niet wat er met Sarah gebeurd was. Maar ik weet dat ze nog leeft, want dat heeft ze me in mijn droom gezegd.
Ik landde op de top van de berg en keek om me heen, honderden keren was ik hier geweest, honderden keren had ik niks gevonden. Ook nu kan ik geen aanwijzing vinden, maar na een half uur zo gestaan te hebben verschijnt het beeld van Sarah weer voor mijn ogen.
‘Julia,’ zegt ze, ‘je moet moed houden.’
‘Sarah, waar ben je toch?’
‘Het begon hier,’ zei ze, ‘ik hoorde stemmen op de weg naar de top, dus ik keerde me om en ging er op af.’ Terwijl ze spreekt lijkt het of Sarah me aanwijzingen geeft en loopt naar het pad, dus volg ik haar. Sarah’s herinnering ziet er zo levensecht uit, dat ik bijna het idee heb dat ze een geest is. Maar dat is niet zo. Haar stem klinkt alleen in mijn hoofd. Ze is hier omdat ik hier ben.
Na het lange pad naar beneden gelopen te hebben staat Sarah ineens stil. ‘Zie je dat huisje daar, Julia?’
Ze wijst naar een klein huisje wat naast het pad staat. Zo te zien is het huisje verlaten, de muren zien groen van de begroeiingen, het dak is gedeeltelijk ingestort en de ramen zijn gebroken. Ik heb het huis nog nooit eerder gezien. Sarah loopt naar de voordeur, die aan nog aan een enkele schanier hangt, en gaat naar binnen. Ik volg haar en we staan in een kleine hal met aan het uiteinde twee deuren en twee trappen. Sarah gaat me voor naar een trap die naar beneden leid. ‘Ik liep dit huisje binnen,’ zegt ze, ‘want het had mijn aandacht getrokken, en ik herinnerde me niet dat het er op de heenweg ook stond.’ We staan in een donkere kelder, die uitloopt op een donkere tunnel. ‘Het was dom van me om die tunnel in te lopen, maar mijn nieuwsgierigheid won het van mijn verstand.’
Iets wat niet ongebruikelijk was voor Sarah, herinner ik me.
Vlak voor de tunnel draait Sarah’s herinnering naar me toe en kijkt me aan. ‘Vanaf hier moet je zonder mij verder, Julia. Maar ik weet dat je me snel zal vinden als je de tunnel in loopt. Al weet ik niet precies wat er aan de andere kant van de tunnel is.’
Ik wil haar nog wat vragen, maar ik weet de woorden nog niet te vinden.
‘Julia?’
Ik glimlach en zeg: ‘wees maar niet bang, ik ben sterk genoeg voor wat er ook aan de andere kant van de tunnel mag zijn.’
Sarah legt haar armen om mijn schouders en de herinnering aan haar vervaagt. Maar ik weet dat ik haar in levende lijven snel genoeg weer zal zien.
Ik loop de tunnel in, het is er echt aardedonker. Gelukkig ben ik geen vreemd van de wereld van magie. Ook ben ik er zelf erg bedreven in. Zo weet ik met een simpele formule licht te creëren. Daarna loop ik weer verder en dieper de tunnel in. Een lange tijd lijkt er geen einde aan de tunnel te komen. Ook voel ik hoe de tunnel langzaam omlaag begint te lopen. En de tunnel wordt breder en hoger. Na ongeveer vijf minuten kom ik in een ruimte die net zo groot is als een grote kerk. Honderd meter diep, vijftig meter breed en zestig meter hoog. De ruimte word verlicht door kleine schachten vanuit de wereld boven me. In de ruimte lopen de vreemdste wezens rond, klein als dwergen, met duivelse blikken in hun ogen en ik kan niet goed zien wat ze precies aan het doen zijn.
Eén van de wezens wijst naar mij en zegt wat in een onverstaanbare taal. De volgende tien seconde komen de wezens om me heen staan en richten hun wapens, speren, op me. ‘Meekomen, menswezen,’ zegt de dwergachtige die ik als eerste zag. Ik volg hem naar een grote ruimte waar een lava stroom onder loopt en een gat in het plafond, meters ver boven ons, is. Een gat groot genoeg voor een klein vliegend meisje om doorheen te kunnen, dus ik zet af en spring hoog de lucht in.
‘Grijp haar!’ roepen ze beneden me, maar ik ben al buiten hun bereik. Terwijl ik naar het dak van de vulkaan vlieg zie ik verschillende gangen die uitkomen op kerkers en kleine grotten. De aardmannen (want dat zijn de wezens) wonen daar en houden hun gevangenen in die kerkers. Het is echt een hel om in deze hitte gevangen te zijn, en bij een vulkaanuitbarsting zal het zelfs nog erger zijn. De kerkers zijn op de lagere niveaus allemaal leeg. Echter zie ik, terwijl ik hoger kom, steeds meer gevulde kerkers. Meesten zijn gevuld met dieren. Echter, vlak bij de opening van de vulkaan zit een meisje van ongeveer mijn leeftijd in een kerker. Haar gezicht staat droevig en ze is smerig, maar ik herken haar direct.
‘Julia?’ vraagt ze.
‘Wie anders?’ zeg ik, en ze moet met een blik van pure opluchting, lachen.
‘Sarah, eindelijk,’ zeg ik, en: ‘doe een stap naar achteren.’
Dat doet ze en ze kijkt me vragend aan.
Ik maak een vuurbal tussen mijn vingers, want de tralies van de kerker zijn van hout. Ik gooi de vuurbal tegen de tralies aan en die beginnen onmiddellijk te branden. Ik spring er op af en trap ze in stukken. Sarah klimt naar buiten en ik kan zien hoe ze gescheurde vodden aan heeft maar verder wel in orde is. Ze lijkt veel op mij, ook al heeft ze geen vleugels en heeft ze blond haar. Haar bouw, gezicht en ogen lijken veel op de mijne. Ze glimlacht en kijkt me aan. Dan gooit ze haar armen om mijn schouders en fluistert ze ‘zusje, wat ben ik blij dat je me gevonden hebt.’
Ze pakt mijn hand en ik gebruik de magische band-spreuk waardoor zij om deze manier met mij mee kan vliegen. Ik doe een stap achteruit en spring weer de lucht in. De magie werkt direct, want Sarah blijft mijn hand vast houden, ik hoef haar niet te dragen (deden we vroeger vaak) maar alleen haar hand vast te blijven houden. Wel kan ik op deze manier minder snel vliegen. De magie kost hiervoor te veel energie.
‘Ik zou ook best graag zelf kunnen vliegen,’ zegt ze nog zacht.
‘Wie weet,’ zeg ik, ‘er zijn meer manieren waarop mensen vleugels krijgen, je kan ze ook krijgen door ultieme moed te tonen. Al weet ik niet precies wat daarmee bedoelt wordt.’
We zien, terwijl we zo omhoog vliegen, aardmannen langs een lange wenteltrap langs de wand van de vulkaan omhoog rennen. Hopend dat ze ons zo kunnen vangen, maar daarvoor ga ik alsnog veel te snel. ‘Als ze ons inhalen wordt het vechten,’ zeg ik.
‘Dat wordt het hoe dan ook,’ zegt Sarah, ‘ze hebben een nederzetting op de top van de vulkaan.’
Helaas heeft ze gelijk, ik zie nu hoe aardmannen een groot rotsblok op de vulkaan proberen te schuiven. Gelukkig is mijn vuur-magie door de vulkaan versterkt, want deze rotsblok verbrijzeld door een lichte vuurbal die ik ernaartoe gegooid heb. Ik vlieg door de opening naar buiten en land vijf meter verder op de grond. We worden direct door aardmannen omsingeld, de aardmannen hier zijn groter dan die in de vulkaan leven. Ze lijken meer op misvormde kinderen dan op misvormde dwergen, ze zijn eveneens bewapend met speren en sommigen met zwaarden en bogen. Sarah trapt één van de aardmannen in zijn maag, waardoor hij tegen een groep van zijn soortgenoten aanvliegt.
Ondertussen heb ik mijn zwaard (die standaard aan mijn riem hangt) getrokken en onthoofd vijf aardmannen met één slag. Het gevecht word harder en de aardmannen proberen mij en Sarah naar de mond van de vulkaan te duwen. Maar, ze zijn niet snel genoeg. ‘Dood de leider,’ zegt Sarah en ze wijst naar de grootste van de Aardmannen, hij is zelfs groter dan ik. Sarah en ik rennen op hem af. Zij springt en raakt hem in zijn maag waarna ze een koprol maakt om onder zijn speer vandaan te komen. Ik spring omhoog en vlieg recht op hem af en hak met mijn zwaard in op zijn nek, die wel van beton gemaakt lijkt. Mijn zwaard kaatst af en ik val op de grond. In minder dan een seconde krabbel ik weer overeind en val opnieuw aan. Nu op zijn hart gericht. De aardman had geen tijd om te ontwijken en zo werd mijn aanval een succes. Ik voel hoe mijn zwaard tot diep in zijn lichaam en recht door zijn hart gaat, op het moment dat ik mijn zwaard weer uit zijn lichaam trek, zakt hij als een zoutzak in elkaar. Ik veeg het bloed van mijn zwaard af en zie hoe Sarah de andere aardmannen met het grootste gemak in bedwang weet te houden. Ze lacht zelfs.
‘Julia, dit is misschien wel de beste dag van mijn leven!’
Sarah staat op een kleine groep lichamen van aardmannen, de overlevende aardmannen vluchten weer de vulkaan in. Deze verzegelen Sarah en ik door er een tweede rotsblok op te schuiven. Daarna gooien we de lichamen van de gevallen aardmannen in verschillende schachten die nog naar beneden lopen.
Onderweg naar huis vertelde Sarah hoe haar jaren gegaan waren. ‘Ze hadden een Arena waar ze hun gevangenen tegen elkaar lieten vechten. Degene die de gevechten verloren werden in de lava gegooid.’
‘Vreselijk.’
‘Ik heb drie keer moeten vechten, tegen twee wolven en een beer. Ik had geen kans om medelijden met de dieren te hebben. Dat hadden ze ook niet met mij, maar ik won alle gevechten.’
‘En wat gebeurde er de rest van de tijd?’
Er verschijnen tranen in haar ogen. ‘Dan moeten we voor de leider werken, in de grotten of we zitten in de kerkers vast. Als je je werk verzaakte werd je in de lava gegooid.’
‘Dat was wel moedig van je dat je dat overleefd hebt,’ zeg ik.
Ze kijkt me recht aan, ‘dank je, zus.’
Thuis aangekomen wordt Sarah vol liefde door onze ouders onthaald. Ook bedankten ze mij voor het terugvinden van haar. Ondanks de vele ruzies die we afgelopen tien jaar hebben gehad zegt mijn moeder toch: ‘Julia, we hebben nooit serieus gedacht dat jij de schuld had van haar verdwijning.’
Sarah keert weer terug naar haar kamer in de flat, maar niet voor lang. De volgende ochtend was er iets bijzonders, maar goeds, met haar gebeurt. Ze heeft vleugels gekregen. ‘Omdat je eeuwige moed getoond hebt, de afgelopen tien jaar,’ zeg ik haar.
‘Misschien,’ zegt Sarah, ‘maar vooral omdat ik nu met jou mee kan vliegen, Julia.’
‘Niet dat je even snel kan als ik,’ lach ik, ‘maar ik kan ook langzamer vliegen.’
Sarah heeft, kleinere, witte vleugels. Ze lijkt meer op de mensen van het oude Windiaanse stam, dan ik. Het mooiste is dat we ook van hen afstammen. En ik hoop op een dag de mooie restanten van die hoogst intelligente beschaving te vinden, en iets zegt me dat ons dat nog gaat lukken ook.
Sarah en ik vliegen nu vaak samen, en ze kan inderdaad niet zo snel of hoog als ik, maar dat vind ze helemaal niet erg. Ook voor mij is het niet erg, ik heb eindelijk iemand waarmee ik mijn luchtrijk kan delen.
En Sarah? Zij woont in een klein huisje wat we speciaal voor haar naast mijn huisje gezet hebben. Maar we hebben wel een gedeelde keuken en woonkamer.
Zo leven we nog lang en gelukkig.
Zoals jullie wel weten vind ik het gewoon leuk om verhalen te schrijven. Jullie noemen dit meestal zweverige verhalen, en dat heeft me aan het denken gezet.
Wat bedoelen jullie met "zweverig"? Dit had de uitkomst dat ik maar een nieuw verhaal ging maken die letterlijk zweverig is.
Ja ik zie jullie nu al kijken met een blik van: "o nee, niet weer!" Maar ja, misschien moet je het maar zelf even lezen...
De Legende van Julia: Het luchtrijk
Ja, het volledige verhaal.
Als je je afvraagt hoe een wolk er van binnen uitziet en of de zon echt achter elke wolk schijnt, ben ik het meisje om je beide vragen te beantwoorden.
Een leven in de lucht is iets waar veel mensen van dromen, maar niemand ziet wat er nodig is om dat te verwezenlijken. Niemand, behalve ik natuurlijk. Mensen zouden dan vleugels moeten hebben, en ja, die heb ik. Sommigen noemen me een gedrocht, anderen een engel. Ik ben geen van beiden. Ik ben een normaal mens, net als iedereen, maar dan met vleugels. ‘Zij die vleugels heeft, zij is Julia,’ is een gezegde van mijn moeder. En dat klopt, ik ben Julia. Heb een slank lichaam, vriendelijk gezicht, groene ogen, lang zwart haar en twee prachtige vleugels. Donkerblauw van kleur behaard (nee, geen veren) en haal in de lucht makkelijk een topsnelheid van 300 km per uur. Met het grootste gemak steek ik de grootste oceanen, zeeën en duizenden kilometers land over. Maar, meestal blijf ik in mijn eigen omgeving. Ik woon in een klein huisje die voor mij op de grootste flat gebouwd is. Mijn ouders wonen in de flat. En er is maar één manier om bij mijn huis te komen: door te vliegen.
Het is een donkere ochtend, donkergrijze wolken hangen boven me, een lange uitgestrekte vlakte van grasland ligt voor me. ‘Julia?’ de stem van mijn zusje klinkt weer in mijn oren. ‘Sarah?’ zeg ik, ‘je bent tien jaar geleden verdwenen, maar ik zal je vinden.’
Een flits voor mijn ogen en ik zag het beeld dat me al tien jaar bezighield, het beeld van hoe Sarah met mij meerende terwijl ik door de lucht zweefde, we deden een wedstrijd die zij altijd verloor. Maar aan het einde lachte ze wel het hardst van ons beiden.
‘Julia... ik heb je nodig.’
Opnieuw haar stem, begin ik mijn verstand te verliezen? Nee. Iedereen zegt dat Sarah dood is, maar ik geloof het niet. Dit is mijn enige kans om dat te bewijzen, dat weet ik.
Ik sta op een toren van klei, klaar om de lucht in te springen en op de stem van mijn zus af te gaan. Ik wacht nog een seconde, laat een traan en spring. Niet naar beneden, maar omhoog. Hoger en hoger totdat mijn hoofd het wolkendek raakt, maar zelfs dan stop ik niet. Ik ga er doorheen, schud mijn haar en stijg boven de wolken uit. Onder mij is een groot wit landschap, boven mij is niets dan een blauwe lucht en de zon. De zon die de mensen op de grond vandaag niet meer zouden zien. Een zon, voor mij alleen.
‘En Sarah,’ zeg ik zacht, ‘voor jou zal dit de eerste zon in een eeuwigheid zijn.’
Zo boven de wolken is de lucht dun en er staat bijna geen wind, maar toch wapperde mijn zwarte haar om me heen. Maar ja, ik ben ook maar één klein meisje in een grote oneindigheid van lucht. Ik vloog niet langer omhoog, maar recht vooruit. De wereld onder mij kon mij niet zien, en alles wat ik onder me zag waren wolken. Een vliegtuig zal hoger vliegen en een vogel zal lager vliegen. Dit luchtrijk was van mij en mij alleen.
Ik heb een zonnebril op en een verrekijker hangt aan een koord om mijn nek. Ik draag een spijkerbroek en een t-shirt. In de verte zie ik een hoge berg waarvan het topje net boven de wolken uitkomt, achter de berg is de lucht geheel vrij van wolken. Het is de berg waar ik mijn zus toen verloren was, zij was met mij mee gerend tot aan de top van de berg. Toen ik een kilometer hoger was, keerde ik weer terug. Van Sarah was geen spoor meer te bekennen. ‘Die is vast alvast naar beneden gegaan,’ zei ik nog tegen mezelf, maar toen ik daar aankwam was Sarah nergens te bekennen. Ook thuis was ze niet en nadat de politie wekenlang had gezocht was ik zo diep bedroefd dat ik dagenlang huilend op mijn bed lag. Het was mijn schuld, dacht ik toen. Maar nu weet ik dat dat niet zo was. Ook al weet ik nog steeds niet wat er met Sarah gebeurd was. Maar ik weet dat ze nog leeft, want dat heeft ze me in mijn droom gezegd.
Ik landde op de top van de berg en keek om me heen, honderden keren was ik hier geweest, honderden keren had ik niks gevonden. Ook nu kan ik geen aanwijzing vinden, maar na een half uur zo gestaan te hebben verschijnt het beeld van Sarah weer voor mijn ogen.
‘Julia,’ zegt ze, ‘je moet moed houden.’
‘Sarah, waar ben je toch?’
‘Het begon hier,’ zei ze, ‘ik hoorde stemmen op de weg naar de top, dus ik keerde me om en ging er op af.’ Terwijl ze spreekt lijkt het of Sarah me aanwijzingen geeft en loopt naar het pad, dus volg ik haar. Sarah’s herinnering ziet er zo levensecht uit, dat ik bijna het idee heb dat ze een geest is. Maar dat is niet zo. Haar stem klinkt alleen in mijn hoofd. Ze is hier omdat ik hier ben.
Na het lange pad naar beneden gelopen te hebben staat Sarah ineens stil. ‘Zie je dat huisje daar, Julia?’
Ze wijst naar een klein huisje wat naast het pad staat. Zo te zien is het huisje verlaten, de muren zien groen van de begroeiingen, het dak is gedeeltelijk ingestort en de ramen zijn gebroken. Ik heb het huis nog nooit eerder gezien. Sarah loopt naar de voordeur, die aan nog aan een enkele schanier hangt, en gaat naar binnen. Ik volg haar en we staan in een kleine hal met aan het uiteinde twee deuren en twee trappen. Sarah gaat me voor naar een trap die naar beneden leid. ‘Ik liep dit huisje binnen,’ zegt ze, ‘want het had mijn aandacht getrokken, en ik herinnerde me niet dat het er op de heenweg ook stond.’ We staan in een donkere kelder, die uitloopt op een donkere tunnel. ‘Het was dom van me om die tunnel in te lopen, maar mijn nieuwsgierigheid won het van mijn verstand.’
Iets wat niet ongebruikelijk was voor Sarah, herinner ik me.
Vlak voor de tunnel draait Sarah’s herinnering naar me toe en kijkt me aan. ‘Vanaf hier moet je zonder mij verder, Julia. Maar ik weet dat je me snel zal vinden als je de tunnel in loopt. Al weet ik niet precies wat er aan de andere kant van de tunnel is.’
Ik wil haar nog wat vragen, maar ik weet de woorden nog niet te vinden.
‘Julia?’
Ik glimlach en zeg: ‘wees maar niet bang, ik ben sterk genoeg voor wat er ook aan de andere kant van de tunnel mag zijn.’
Sarah legt haar armen om mijn schouders en de herinnering aan haar vervaagt. Maar ik weet dat ik haar in levende lijven snel genoeg weer zal zien.
Ik loop de tunnel in, het is er echt aardedonker. Gelukkig ben ik geen vreemd van de wereld van magie. Ook ben ik er zelf erg bedreven in. Zo weet ik met een simpele formule licht te creëren. Daarna loop ik weer verder en dieper de tunnel in. Een lange tijd lijkt er geen einde aan de tunnel te komen. Ook voel ik hoe de tunnel langzaam omlaag begint te lopen. En de tunnel wordt breder en hoger. Na ongeveer vijf minuten kom ik in een ruimte die net zo groot is als een grote kerk. Honderd meter diep, vijftig meter breed en zestig meter hoog. De ruimte word verlicht door kleine schachten vanuit de wereld boven me. In de ruimte lopen de vreemdste wezens rond, klein als dwergen, met duivelse blikken in hun ogen en ik kan niet goed zien wat ze precies aan het doen zijn.
Eén van de wezens wijst naar mij en zegt wat in een onverstaanbare taal. De volgende tien seconde komen de wezens om me heen staan en richten hun wapens, speren, op me. ‘Meekomen, menswezen,’ zegt de dwergachtige die ik als eerste zag. Ik volg hem naar een grote ruimte waar een lava stroom onder loopt en een gat in het plafond, meters ver boven ons, is. Een gat groot genoeg voor een klein vliegend meisje om doorheen te kunnen, dus ik zet af en spring hoog de lucht in.
‘Grijp haar!’ roepen ze beneden me, maar ik ben al buiten hun bereik. Terwijl ik naar het dak van de vulkaan vlieg zie ik verschillende gangen die uitkomen op kerkers en kleine grotten. De aardmannen (want dat zijn de wezens) wonen daar en houden hun gevangenen in die kerkers. Het is echt een hel om in deze hitte gevangen te zijn, en bij een vulkaanuitbarsting zal het zelfs nog erger zijn. De kerkers zijn op de lagere niveaus allemaal leeg. Echter zie ik, terwijl ik hoger kom, steeds meer gevulde kerkers. Meesten zijn gevuld met dieren. Echter, vlak bij de opening van de vulkaan zit een meisje van ongeveer mijn leeftijd in een kerker. Haar gezicht staat droevig en ze is smerig, maar ik herken haar direct.
‘Julia?’ vraagt ze.
‘Wie anders?’ zeg ik, en ze moet met een blik van pure opluchting, lachen.
‘Sarah, eindelijk,’ zeg ik, en: ‘doe een stap naar achteren.’
Dat doet ze en ze kijkt me vragend aan.
Ik maak een vuurbal tussen mijn vingers, want de tralies van de kerker zijn van hout. Ik gooi de vuurbal tegen de tralies aan en die beginnen onmiddellijk te branden. Ik spring er op af en trap ze in stukken. Sarah klimt naar buiten en ik kan zien hoe ze gescheurde vodden aan heeft maar verder wel in orde is. Ze lijkt veel op mij, ook al heeft ze geen vleugels en heeft ze blond haar. Haar bouw, gezicht en ogen lijken veel op de mijne. Ze glimlacht en kijkt me aan. Dan gooit ze haar armen om mijn schouders en fluistert ze ‘zusje, wat ben ik blij dat je me gevonden hebt.’
Ze pakt mijn hand en ik gebruik de magische band-spreuk waardoor zij om deze manier met mij mee kan vliegen. Ik doe een stap achteruit en spring weer de lucht in. De magie werkt direct, want Sarah blijft mijn hand vast houden, ik hoef haar niet te dragen (deden we vroeger vaak) maar alleen haar hand vast te blijven houden. Wel kan ik op deze manier minder snel vliegen. De magie kost hiervoor te veel energie.
‘Ik zou ook best graag zelf kunnen vliegen,’ zegt ze nog zacht.
‘Wie weet,’ zeg ik, ‘er zijn meer manieren waarop mensen vleugels krijgen, je kan ze ook krijgen door ultieme moed te tonen. Al weet ik niet precies wat daarmee bedoelt wordt.’
We zien, terwijl we zo omhoog vliegen, aardmannen langs een lange wenteltrap langs de wand van de vulkaan omhoog rennen. Hopend dat ze ons zo kunnen vangen, maar daarvoor ga ik alsnog veel te snel. ‘Als ze ons inhalen wordt het vechten,’ zeg ik.
‘Dat wordt het hoe dan ook,’ zegt Sarah, ‘ze hebben een nederzetting op de top van de vulkaan.’
Helaas heeft ze gelijk, ik zie nu hoe aardmannen een groot rotsblok op de vulkaan proberen te schuiven. Gelukkig is mijn vuur-magie door de vulkaan versterkt, want deze rotsblok verbrijzeld door een lichte vuurbal die ik ernaartoe gegooid heb. Ik vlieg door de opening naar buiten en land vijf meter verder op de grond. We worden direct door aardmannen omsingeld, de aardmannen hier zijn groter dan die in de vulkaan leven. Ze lijken meer op misvormde kinderen dan op misvormde dwergen, ze zijn eveneens bewapend met speren en sommigen met zwaarden en bogen. Sarah trapt één van de aardmannen in zijn maag, waardoor hij tegen een groep van zijn soortgenoten aanvliegt.
Ondertussen heb ik mijn zwaard (die standaard aan mijn riem hangt) getrokken en onthoofd vijf aardmannen met één slag. Het gevecht word harder en de aardmannen proberen mij en Sarah naar de mond van de vulkaan te duwen. Maar, ze zijn niet snel genoeg. ‘Dood de leider,’ zegt Sarah en ze wijst naar de grootste van de Aardmannen, hij is zelfs groter dan ik. Sarah en ik rennen op hem af. Zij springt en raakt hem in zijn maag waarna ze een koprol maakt om onder zijn speer vandaan te komen. Ik spring omhoog en vlieg recht op hem af en hak met mijn zwaard in op zijn nek, die wel van beton gemaakt lijkt. Mijn zwaard kaatst af en ik val op de grond. In minder dan een seconde krabbel ik weer overeind en val opnieuw aan. Nu op zijn hart gericht. De aardman had geen tijd om te ontwijken en zo werd mijn aanval een succes. Ik voel hoe mijn zwaard tot diep in zijn lichaam en recht door zijn hart gaat, op het moment dat ik mijn zwaard weer uit zijn lichaam trek, zakt hij als een zoutzak in elkaar. Ik veeg het bloed van mijn zwaard af en zie hoe Sarah de andere aardmannen met het grootste gemak in bedwang weet te houden. Ze lacht zelfs.
‘Julia, dit is misschien wel de beste dag van mijn leven!’
Sarah staat op een kleine groep lichamen van aardmannen, de overlevende aardmannen vluchten weer de vulkaan in. Deze verzegelen Sarah en ik door er een tweede rotsblok op te schuiven. Daarna gooien we de lichamen van de gevallen aardmannen in verschillende schachten die nog naar beneden lopen.
Onderweg naar huis vertelde Sarah hoe haar jaren gegaan waren. ‘Ze hadden een Arena waar ze hun gevangenen tegen elkaar lieten vechten. Degene die de gevechten verloren werden in de lava gegooid.’
‘Vreselijk.’
‘Ik heb drie keer moeten vechten, tegen twee wolven en een beer. Ik had geen kans om medelijden met de dieren te hebben. Dat hadden ze ook niet met mij, maar ik won alle gevechten.’
‘En wat gebeurde er de rest van de tijd?’
Er verschijnen tranen in haar ogen. ‘Dan moeten we voor de leider werken, in de grotten of we zitten in de kerkers vast. Als je je werk verzaakte werd je in de lava gegooid.’
‘Dat was wel moedig van je dat je dat overleefd hebt,’ zeg ik.
Ze kijkt me recht aan, ‘dank je, zus.’
Thuis aangekomen wordt Sarah vol liefde door onze ouders onthaald. Ook bedankten ze mij voor het terugvinden van haar. Ondanks de vele ruzies die we afgelopen tien jaar hebben gehad zegt mijn moeder toch: ‘Julia, we hebben nooit serieus gedacht dat jij de schuld had van haar verdwijning.’
Sarah keert weer terug naar haar kamer in de flat, maar niet voor lang. De volgende ochtend was er iets bijzonders, maar goeds, met haar gebeurt. Ze heeft vleugels gekregen. ‘Omdat je eeuwige moed getoond hebt, de afgelopen tien jaar,’ zeg ik haar.
‘Misschien,’ zegt Sarah, ‘maar vooral omdat ik nu met jou mee kan vliegen, Julia.’
‘Niet dat je even snel kan als ik,’ lach ik, ‘maar ik kan ook langzamer vliegen.’
Sarah heeft, kleinere, witte vleugels. Ze lijkt meer op de mensen van het oude Windiaanse stam, dan ik. Het mooiste is dat we ook van hen afstammen. En ik hoop op een dag de mooie restanten van die hoogst intelligente beschaving te vinden, en iets zegt me dat ons dat nog gaat lukken ook.
Sarah en ik vliegen nu vaak samen, en ze kan inderdaad niet zo snel of hoog als ik, maar dat vind ze helemaal niet erg. Ook voor mij is het niet erg, ik heb eindelijk iemand waarmee ik mijn luchtrijk kan delen.
En Sarah? Zij woont in een klein huisje wat we speciaal voor haar naast mijn huisje gezet hebben. Maar we hebben wel een gedeelde keuken en woonkamer.
Zo leven we nog lang en gelukkig.
07-'10 Fanboy
07-'10 Correctie: Helaas hebben we verloren.
Reacties
Jezus Christus.
I'm with himPietjepot schreef op vrijdag 16 juli 2010 @ 14:44:
Jezus Christus.
Ik weet niet wat JC hier mee te maken zou moeten hebben, maar ik kan wel zeggen dat het erg goed geschreven verhaal was. 
Ik reageer bijna nooit op een blog maar deze was volgende vermelding wel waard:

Zo hé, da's een lang verhaaltje...
Pietjepot schreef op vrijdag 16 juli 2010 @ 14:44:
Jezus Christus.
Werkelijk, wat een kinderachtig gedrag weer.destroyernr1 schreef op vrijdag 16 juli 2010 @ 15:08:
Ik reageer bijna nooit op een blog maar deze was volgende vermelding wel waard:![]()
![]()
Dank jeDarkKnight schreef op vrijdag 16 juli 2010 @ 14:59:
Ik weet niet wat JC hier mee te maken zou moeten hebben, maar ik kan wel zeggen dat het erg goed geschreven verhaal was.
[Reactie gewijzigd op vrijdag 16 juli 2010 17:22]
behaarDDonkerblauw van kleur behaart
Steek ik overMet het grootste gemak oversteek ik de grootste oceanen
etc.
Grammarnazi -1.
Correct Nederlands +1.
Nog niet eens basisschool kennis van de Nederlandse taal hebben -1
Nog niet eens basisschool kennis van de Nederlandse taal hebben -1
Moest je niet op vakantie ofzo?
ViperNL84 schreef op vrijdag 16 juli 2010 @ 19:37:
Moest je niet op vakantie ofzo?
Ik vond het verhaal wel leuk alleen wel best raar, een huisje boven op de berg met een kelder
@JaHetIsChris: het is een verhaal, fictie dus, daarbij staat het huis in het dal. De tunnel is gegraven door de aardmannen (het verhaal speelt dus ook niet in onze wereld maar in Duisterlingenland af
)

En ze spreken een voor Julia onverstaanbare taal.Na het lange pad naar beneden gelopen te hebben staat Sarah ineens stil. ‘Zie je dat huisje daar, Julia?’
Ze wijst naar een klein huisje wat naast het pad staat.
Ben al weer sinds afgelopen zaterdagmiddag terugViperNL84 schreef op vrijdag 16 juli 2010 @ 19:37:
Moest je niet op vakantie ofzo?
[Reactie gewijzigd op vrijdag 16 juli 2010 20:50]
Doet het je pijn dat iemand je spellingsfouten ziet en verbetert ofzosanderev66 schreef op vrijdag 16 juli 2010 @ 18:58:
Grammarnazi -1.
Reageren is niet meer mogelijk